CO2-uitstoot omlaag, inclusiviteit omhoog: een reactie op recent verschenen TNO-rapport energiearmoede

Acties om onze CO2 uitstoot drastisch te verlagen kunnen hand in hand gaan met het vergroten van de inclusiviteit van onze samenleving, zo blijkt uit het eind september verschenen TNO-rapport ‘De feiten over energiearmoede in Nederland: Inzicht op nationaal en lokaal niveau’. Zowel energiedeskundigen als professionals in het sociaal domein doen er goed aan om dit rapport tot zich te nemen.

Een prachtig rapport met een aansprekende titel, want feiten kunnen we goed gebruiken voor ieder aspect van de energietransitie. Immers, om een probleem te kunnen oplossen is een grondige analyse een voorwaarde. Het gevaar is dat feiten meestal deels schattingen blijken te zijn, niet zelden gebaseerd op discutabele aannames. Zo ontlokte ook dit rapport in eerste instantie kritische gedachten over de betrouwbaarheid, validiteit en bruikbaarheid van de feiten. In de dataset ontbreekt één vijfde van de huishoudens, lijkt het rapport aan te geven dat de helft van huishoudens die in armoede leven prima hun energierekening kunnen betalen en zijn de bestedingspatronen van huishoudens (denk bijvoorbeeld aan grote gezondheidskosten of verslavingen) niet meegenomen. Maar de onderzoekers (h)erkennen de zwakke punten in hun analyse en weten daar deels voor te corrigeren.

Dieprood 
Hebben we een dergelijk rapport nu daadwerkelijk nodig om inzicht te krijgen in de verdeling van energiearmoede over Nederland? Noord-Nederland kleurt dieprood in alle kaartjes in dit rapport. Maar Noord-Nederland kleurt al jaren dieprood in vele rapporten. Of het nou over (inkomens)armoede, huishoudens in achterstandswijken, gebruik van jeugdzorg of werkeloosheid gaat, Noord-Nederland kampt met grote problemen. Dat wisten we al, de behoefte is vooral aan oplossingen.

Relevant en bruikbaar
Toch zijn er goede redenen om blij te zijn met dit rapport. De aanpak van TNO is een prachtig voorbeeld van het combineren van verschillende big-data bronnen om tot een geïntegreerd beeld van energiearmoede te komen. Een belangrijke bijdrage van het rapport is dat TNO meerdere indicatoren van energiearmoede heeft ontwikkeld die in combinatie een veel beter beeld geven dan de indicatoren die tot nu toe gebruikelijk zijn. Helemaal mooi zijn de indicatoren die betrekking hebben op de energetische kwaliteit van woningen en de mogelijkheden van de bewoners om die te beïnvloeden. TNO constateert terecht dat voor de bewoners van woningen die bijvoorbeeld slecht geïsoleerd zijn en die zelf niet tot isolatie over kunnen gaan, energiearmoede op de loer ligt als de energieprijzen substantieel gaan stijgen. Door de verschillende indicatoren ontstaat een beeld van verschillende groepen huishoudens die een eigen benadering vragen om de energiearmoede op te lossen of af te wenden. Dit maakt het rapport relevant en praktisch bruikbaar. Een mooie conclusie die we dan ook uit het rapport kunnen trekken is dat met gerichte verduurzaming het voorkomen van financiële, sociale, psychische en somatische problemen hand in hand kan gaan met het versnellen van de energietransitie.

Ontwikkeling van interventies 
Ons onderzoek, dat we de afgelopen jaren vanuit de Hanzehogeschool hebben uitgevoerd, laten eenzelfde beeld zien: met name de groep met een lage sociaal-economische score blijft achter in de energietransitie. Daarbij blijkt overigens dat dat geen kwestie is van niet willen, maar het ontbreekt hen vooral aan handelingsperspectief: mensen weten eenvoudigweg niet altijd wat ze kunnen doen om energie te besparen.
In een aantal lopende onderzoeksprojecten werken we samen met onder andere gemeenten en woningcorporaties aan het ontwikkelen van manieren om ook de mensen (waarvan een belangrijk deel lijdt aan energiearmoede) te kunnen laten meedoen in de energietransitie. Uitgangspunt daarbij is dat we aansluiten bij wat ze zelf willen en kunnen. Een van de volgende uitdagingen binnen de energietransitie die door de conclusies van dit rapport wordt onderbouwd is daarmee hoe  professionals uit het sociaal domein, in het bijzonder sociaal werkers, een rol kunnen spelen in deze transitie. Het ontwikkelen van gepaste interventies waar zij mee aan de slag kunnen is waar we nu vanuit de Hanzehogeschool aan werken. Begrijpelijke en adequate informatie verstrekken, die specifiek is gericht en afgestemd op de betreffende doelgroep, is daar een voorbeeld van. Zo leveren we een bijdrage aan het versnellen van de energietransitie, en het vergroten van de inclusiviteit van de samenleving.

Door:
Wiebo Lamain, senior onderzoeker
Jantina Ottema, docent-onderzoeker
Sarah Elbert, senior onderzoeker

De auteurs zijn verbonden aan het lectoraat Communication, Behaviour & the Sustainable Society en EnTranCe – Centre of Expertise Energy van de Hanzehogeschool Groningen

Taal selecteren: